Inkomensgrenzen
In onderzoek en beleid worden verschillende criteria gebruikt om te bepalen wie in aanmerking komen voor toeslagen of kwijtscheldingen. De keuze voor een bepaald criterium is van invloed op het aantal minimahuishoudens. Dit illustreren we aan de hand van de meest recente inkomenscijfers (uit 2024) over de provincie Groningen.
Huishoudens rond het sociaal minimum
De meeste gemeenten gebruiken voor de toekenning van hun regelingen 120% van het sociaal minimum. In de provincie Groningen leeft 10,9% van de inwoners van een inkomen tot 120% van het sociaal minimum. Dit gaat in totaal om ruim 59.000 mensen. In Nederland ligt dit aandeel lager (8,5%). Het aandeel inwoners met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum is het hoogst in de gemeente Groningen (13,3%, oftewel zo’n 26.700 inwoners) en het laagst in de gemeente Westerkwartier (6,0%, oftewel zo’n 3.800 inwoners). We zien dus dat bijna de helft van de Groningers die een inkomen tot 120% van het sociaal minimum hebben in de gemeente Groningen woont.
Een andere veelgebruikte grens voor de toekenning van minimaregelingen is 130% van het sociaal minimum. In de provincie Groningen leeft 13,2% van de inwoners van een inkomen onder 130% van het sociaal minimum. Dit gaat in totaal om ruim 71.000 mensen. In Nederland ligt dit percentage lager (10,3%). Het aandeel inwoners met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum is ook het hoogst in de gemeente Groningen (15,6%, oftewel zo’n 31.200 inwoners) en ook het laagst in de gemeente Westerkwartier (7,6%, oftewel zo’n 4.800 inwoners).
Een verhoging van de inkomensgrens van 120% naar 130% van het sociaal minimum zorgt voor een stijging van 21% in de omvang van de doelgroep. Dit staat gelijk aan een toename van ongeveer 12.000 mensen in de provincie Groningen.
Het aandeel huishoudens onder en rond het sociaal minimum is redelijk stabiel. Dit komt doordat het sociaal minimum regelmatig aangepast wordt op basis van economische ontwikkelingen in de maatschappij. Het sociaal minimum is dan ook niet geschikt om armoedeproblematiek over de tijd te volgen. Een verhoging van het sociaal minimum zorgt per definitie voor een toename van het aantal huishoudens onder deze inkomensgrens. Hierdoor lijkt de armoedeproblematiek toe te nemen, terwijl de inkomens van huishoudens niet lager zijn geworden. Lees hierover meer op de pagina Toelichting inkomensgrenzen.
Huishoudens rond de armoedegrens
In de provincie Groningen leeft in 2024 4,0% van de inwoners onder de armoedegrens. Als we echter kijken naar het aandeel inwoners waarvoor geldt dat het inkomen lager is dan 110% van de nieuwe armoedegrens zien we dat dit aandeel een stuk groter wordt, namelijk 7,0%. Ook zien we dat in de hele provincie ruim 10.000 inwoners leven van een inkomen van 80% van de nieuwe armoedegrens. Zij komen dus maandelijks flink geld tekort.
Naast de inwoners die in armoede leven definieert het CBS ook een groep ‘bijna-armen’. Deze inwoners hebben een vermogensbuffer onder de nieuwe armoedegrens en een inkomen dat lager is dan 125% van de nieuwe armoedegrens. acht van de tien Groningse gemeenten is het aandeel ‘bijna-armen’ hoger dan het landelijk gemiddelde. Alleen in de gemeenten Het Hogeland (8,1%) en Westerkwartier (5,7%) is dit niet het geval.
Voor heel Nederland geldt dat in totaal 9,6% van alle inwoners arm of ‘bijna-arm’ is. Dit percentage ligt wat hoger in de provincie Groningen, namelijk op 11,8% (= 4,0% onder de nieuwe armoedegrens + 7,8% ‘bijna-arm’).
Moeite met rondkomen
Wanneer we kijken naar de ervaren armoede zien we dat het aandeel inwoners dat moeite heeft om rond te komen hoger ligt dan het aandeel huishoudens met een inkomen onder de armoedegrens. In 2024 gaf 15,1% van de Groningse huishoudens aan moeite te hebben met rondkomen. Ter vergelijking: 4,0% van de Groningse huishoudens leeft in 2024 onder de armoedegrens. Het aandeel huishoudens dat in 2024 moeite heeft met rondkomen is het hoogst in de gemeente Groningen (19,7%) en het laagst in de gemeente Westerkwartier (7,6%). In heel Nederland geeft 13,3% van de huishoudens aan moeite te hebben met rondkomen.
Het aandeel huishoudens dat moeite heeft met rondkomen is afgenomen ten opzichte van 2022. In 2022 gaf 20,4% van de Groningse huishoudens nog aan moeite te hebben met rondkomen; landelijk gold dit voor 18,8% van alle huishoudens.
Deze cijfers zijn gebaseerd op de Gezondheidsmonitor van de GGD’en, het CBS en het RIVM. Hierin werden inwoners gevraagd of zij in de afgelopen 12 maanden enige of grote moeite hebben gehad met rondkomen.