Kenmerken huishoudens met (langdurig) laag inkomen

Leven in armoede kan iedereen overkomen. Toch zijn er groepen huishoudens die een hoger risico op armoede hebben omdat ze vaker onder de lage inkomensgrens leven. Inzicht in de kenmerken van deze huishoudens, kan bijdragen aan het inrichten van armoedebeleid. Het CBS maakt een uitsplitsing naar de samenstelling van het huishouden, de leeftijd van de kostwinner, de herkomst van de kostwinner en het type inkomen.

In het kort

  • In de provincie Groningen hebben eenoudergezinnen en alleenstaanden relatief vaker een inkomen onder de lage-inkomensgrens dan meerpersoonshuishoudens.
  • Jonge huishoudens leven vaker kortdurend met een laag inkomen. Na de pensioengerechtigde leeftijd neemt het aantal huishoudens dat leeft onder de armoedegrens sterk af.
  • Huishoudens met een niet-westerse achtergrond hebben een groter risico om in armoede te leven.
  • Huishoudens met een overdrachtsinkomen leven naar verhouding het vaakst in armoede.

Alleenstaanden en eenoudergezinnen hebben een hoger risico op armoede

Alleenstaanden en eenoudergezinnen met minderjarige kinderen hebben het hoogste risico op armoede (SCP 2018). Zo heeft in de provincie Groningen 18,3% van de eenpersoonshuishoudens in 2018 een laag inkomen en 9,6% heeft dat langdurig. In Nederland als geheel liggen die percentages lager, respectievelijk 14,1% en 6,9%.

Een gelijk beeld zien we voor de eenoudergezinnen. In de provincie Groningen leeft in 2018 19,9% van de eenoudergezinnen in armoede; in Nederland als geheel is dat 14,7%. Bij een vergelijking tussen de Groninger gemeenten valt het hoge aandeel eenoudergezinnen met een laag inkomen op in Delfzijl, 23,5% van de eenoudergezinnen had in 2018 een laag inkomen, 8,7% had dit langdurig. 9,1% van de eenoudergezinnen in Appingedam leefde in 2018 langdurig van een laag inkomen, in vergelijking met de andere gemeenten is dit een relatief hoog aandeel.

Gepensioneerden minst getroffen door armoede

In de provincie Groningen leeft in 2018 bijna een kwart (24,5%) van de jonge huishoudens (<25 jaar) onder de lage inkomensgrens, 3% doet dat langdurig. Dit komt veelal door de overgang van studeren naar werken. Zodra de hoofdkostwinner ouder wordt, neemt het risico op kortdurende armoede af.

Het aandeel huishoudens dat langdurig moet rondkomen van een laag inkomen neemt juist toe naarmate de kostwinner ouder wordt. Deze stijging komt doordat met het toenemen van de leeftijd, de kans om afhankelijk te worden van een uitkering ook toeneemt. Dit duurt tot de pensioengerechtigde leeftijd. Na de pensioengerechtigde leeftijd neemt het aandeel huishoudens met een (langdurig) laag inkomen in de provincie sterk af. Zo heeft in 2018 2,5% van de 65-plussers in de provincie Groningen een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Dit percentage is laag doordat het (volledige) AOW-pensioen boven de lage-inkomensgrens uitkomt. Bovendien hebben de meeste ouderen naast hun AOW nog aanvullend pensioen en inkomsten uit vermogen. De 65-plussers lopen van alle leeftijdsgroepen dan ook het minst risico op (langdurige) armoede (CBS, 2018).

Gezinnen van niet-westerse afkomst hebben vaker lagere inkomens

Gezinnen met een niet-westerse hoofdkostwinner, hebben naar verhouding vaker een lager inkomen en leven daardoor vaker onder de lage inkomensgrens. In de provincie Groningen heeft in 2018 meer dan een derde (36,6%) van alle niet-westerse gezinnen een laag inkomen en 19,7% een langdurig laag inkomen. In Nederland als geheel zien we lagere percentages: van alle niet-westerse huishoudens heeft iets minder dan een kwart (24,6%) een laag inkomen en 12,3% een langdurig laag inkomen.

Per gemeente zien we flinke verschillen. Zo leven in 2018 (ongeveer) de helft van de niet-westerse huishoudens in vier Groninger gemeenten voor tenminste 1 jaar van een laag inkomen, dit zijn: Pekela (50%), het Hogeland (48,8%), Westerwolde (48,1%) en Oldambt (46,9%).

Het is echter goed om te benoemen dat, ondanks dat meer dan een derde van de niet-westerse huishoudens in de provincie Groningen in armoede leeft, deze huishoudens 20,2% van alle arme huishoudens omvatten. 70% van de huishoudens met een laag inkomen in Groningen heeft een Nederlandse achtergrond. Het gaat dan om 5.400 niet-westerse huishoudens en 18.700 huishoudens met een hoofdkostwinner van Nederlandse achtergrond.

Het type inkomen heeft tevens invloed op de kans op armoede

Het CBS onderscheidt drie verschillende typen inkomens:

  • inkomen als werknemer in loondienst;
  • uit een eigen onderneming;
  • of uit overdrachtsinkomen.

De laatste groep wordt gevormd uit huishoudens waarvoor een uitkering of pensioen de voornaamste inkomensbron is. De huishoudens met een overdrachtsinkomen leven relatief het vaakst in armoede. In 2018 heeft in de gehele provincie Groningen bijna 1 op de 5 van deze huishoudens een laag inkomen. Daarvan heeft 10,2% dat langdurig. Ter vergelijking, 2,7% van de huishouden met een inkomen uit loondienst en 11,6% van de huishoudens met een eigen onderneming leefden in 2018 tenminste 1 jaar onder de lage-inkomensgrens.

In de verdeling naar inkomen zien we per gemeente verschillen. Vooral de gemeente Groningen springt eruit; 28,7% van de huishoudens met een overdrachtsinkomen leeft onder de lage inkomensgrens. Daarvan heeft 16,4% een langdurig laag inkomen.