Kenmerken huishoudens met (langdurig) laag inkomen

Leven in armoede kan iedereen overkomen. Toch zijn er groepen huishoudens die een hoger risico op armoede hebben omdat ze vaker onder de lage-inkomensgrens leven. Inzicht in de kenmerken van deze huishoudens, kan bijdragen aan het inrichten van armoedebeleid. Het CBS maakt een uitsplitsing naar de samenstelling van het huishouden, de leeftijd van de kostwinner, de herkomst van het huishouden en het type inkomen.

In het kort

  • In de provincie Groningen hebben eenoudergezinnen en alleenstaanden relatief vaker een inkomen onder de lage-inkomensgrens dan meerpersoonshuishoudens.
  • Jonge huishoudens leven vaker kortdurend met een laag inkomen. Na de pensioengerechtigde leeftijd neemt het aantal huishoudens dat leeft onder de armoedegrens sterk af.
  • Huishoudens met een niet-westerse achtergrond hebben een groter risico om in armoede te leven.
  • Het type inkomen heeft tevens invloed; huishoudens met een overdrachtsinkomen leven relatief het vaakst in armoede.

Alleenstaanden en eenoudergezinnen hebben een hoger risico op armoede

Alleenstaanden en eenoudergezinnen met minderjarige kinderen hebben de meeste risico op armoede (SCP 2018). Zo heeft in de provincie Groningen 18,7% van de eenpersoonshuishoudens in 2017 een laag inkomen en 9,5% heeft dat langdurig. In Nederland als geheel liggen die percentages lager, respectievelijk 14,6% en 6,7%.

Een gelijk beeld zien we voor de eenoudergezinnen. In de provincie Groningen leeft in 2017 19,2% van de eenoudergezinnen in armoede; in Nederland als geheel is dat 15,7%. Bij een vergelijking tussen de Groninger gemeenten dan valt het hoge aandeel eenoudergezinnen in armoede op in Appingedam, Delfzijl en Groningen gemeente. In deze gemeenten heeft in 2017 meer dan 226% van de eenoudergezinnen een laag inkomen.

Gepensioneerden minst getroffen door armoede

De leeftijd van de kostwinnaar heeft tevens invloed op het kortdurend of langdurig leven in armoede. Zo leven huishoudens met een kostwinner onder de 25 leven vaker kortdurend met een laag inkomen. Zodra de hoofdkostwinner ouder wordt, neemt het risico op kortdurende armoede juist af. Wel neemt het aandeel huishoudens dat langdurig moet rondkomen van een laag inkomen toe met een kostwinner tussen de 45 en 65 jaar.

In de provincie Groningen leeft bijvoorbeeld meer dan een kwart (25,4%) van de jonge huishoudens (<25 jaar) onder de lage inkomensgrens en 3% doet dat langdurig. Studentenhuishoudens zijn in deze data overigens niet meegenomen. Wat opvalt is dat na de pensioengerechtigde leeftijd het aantal arme huishoudens sterk afneemt. Zo heeft iets meer dan 2% een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Het CBS (2018) geeft aan dat dit komt omdat met de pensionering de inkomenssituatie voor velen verbetert doordat het (volledige) AOW-pensioen boven de lage-inkomensgrens uitkomt. Bovendien hebben de meeste ouderen naast hun AOW nog aanvullend pensioen en inkomsten uit vermogen. De 65-plussers lopen van alle leeftijdsgroepen dan ook het minst risico op (langdurige) armoede.

Gezinnen van niet-westerse afkomst hebben vaker lagere inkomens

Gezinnen waar de hoofdkostwinner van niet-westerse herkomst is, hebben naar verhouding vaker een lager inkomen en leven daardoor vaker onder de armoedegrens (SCP 2018). In de provincie Groningen heeft in 2017 meer dan eenderde (37,7%) van alle niet-westerse gezinnen een laag inkomen en 19,4% een langdurig laag inkomen. In Nederland als geheel zien we lagere percentages: van alle niet-westerse huishoudens heeft iets meer dan een kwart (26,2%) een laag inkomen en 12,5% een langdurig laag inkomen.

Per gemeente zien we flinke verschillen. Zo leven in 2017 in de gemeente Eemsmond meer dan de helft van alle huishoudens met een niet-westerse herkomst onder de lage inkomensgrens. Ook in de stad Groningen en de gemeenten Appingedam en Oldambt zien we dat een relatief groot deel van de niet-westerse huishoudens een laag inkomen hebben.

Het is echter goed om te benoemen dat, ondanks dat meer dan een derde van de niet-westerse huishoudens in de provincie Groningen in armoede leeft, deze huishoudens 19% van alle arme huishoudens omvatten. Bijna driekwart (71%) van de arme huishoudens heeft een Nederlandse achtergrond. Het gaat dan om 5.300 niet-westerse huishoudens en 19.300 huishoudens met een hoofdkostwinner van Nederlandse achtergrond.

Het type inkomen heeft tevens invloed op de kans op armoede

Er worden drie verschillende typen inkomens onderscheiden: inkomen als werknemer in loondienst, uit een eigen onderneming of uit overdrachtsinkomen. Deze laatste worden gevormd door huishoudens waarvoor een uitkering, pensioen of studiefinanciering de voornaamste inkomensbron is.

De huishoudens met een overdrachtsinkomen leven relatief het vaakst in armoede. In 2017 heeft in de gehele provincie Groningen twee op de tien van deze huishoudens een laag inkomen. Daarvan heeft 10% dat langdurig. Ter vergelijking, 3% van de huishouden met een inkomen uit loondienst en 13% van de huishoudens met een eigen onderneming leven onder de lage-inkomensgrens.

In de verdeling naar inkomen zien we per gemeente verschillen. Vooral de stad Groningen springt eruit; bijna een derde van de huishoudens met een overdrachtsinkomen leeft onder de lage inkomensgrens. Daarvan heeft 18% een langdurig laag inkomen.