Kenmerken huishoudens met (langdurig) laag inkomen

Leven in armoede kan iedereen overkomen. Toch zijn er groepen huishoudens die een hoger risico op armoede hebben omdat ze vaker onder de lage-inkomensgrens leven. Inzicht in de kenmerken van deze huishoudens, kan bijdragen aan het inrichten van armoedebeleid. Het CBS maakt een uitsplitsing naar de samenstelling van het huishouden, de leeftijd van de kostwinner, de herkomst van het huishouden en het type inkomen.

In het kort

  • In de provincie Groningen hebben eenoudergezinnen en alleenstaanden relatief vaker een inkomen onder de lage-inkomensgrens dan meerpersoonshuishoudens.
  • Jonge huishoudens leven vaker kortdurend met een laag inkomen. Na de pensioengerechtigde leeftijd neemt het aantal huishoudens dat leeft onder de armoedegrens sterk af.
  • Huishoudens met een niet-westerse achtergrond hebben een groter risico om in armoede te leven.
  • Het type inkomen heeft tevens invloed; huishoudens met een overdrachtsinkomen leven relatief het vaakst in armoede.

Alleenstaanden en eenoudergezinnen hebben een hoger risico op armoede

Als we ons baseren op het provinciale beeld dan zien we dat over het algemeen alleenstaanden en eenoudergezinnen met minderjarige kinderen een hogere kans hebben om in armoede te leven. Zo heeft in de provincie Groningen 18,1% van de eenpersoonshuishoudens een laag inkomen en 8,4% heeft dat langdurig. In Nederland als geheel liggen die percentages lager, respectievelijk 14,2% en 7,4%.
Een gelijk beeld zien we voor de eenoudergezinnen. In de provincie Groningen leeft 20,3% van de eenoudergezinnen in armoede; in Nederland als geheel is dat 17,5%. Bij een vergelijking tussen de Groninger gemeenten dan valt het hoge aandeel eenoudergezinnen in armoede op in Eemsmond en Delfzijl. In Eemsmond heeft 26,6% van de eenoudergezinnen een laag inkomen (6,7% langdurig) en in Delfzijl is dat 24,6% (7,4% langdurig).

Gepensioneerden minst getroffen door armoede

De leeftijd van de kostwinnaar heeft tevens invloed op het kortdurend of langdurig leven in armoede. Zo leven huishoudens met een kostwinner onder de 25 leven vaker kortdurend met een laag inkomen. Zodra de hoofdkostwinner ouder wordt, neemt het risico op kortdurende armoede juist af. Wel neemt het aandeel huishoudens dat langdurig moet rondkomen van een laag inkomen toe met een kostwinner tussen de 45 en 65 jaar.

In de provincie Groningen leeft bijvoorbeeld meer dan een kwart (27,6%) van de jonge huishoudens (<25 jaar) onder de lage inkomensgrens en 3,4% deed dat langdurig. Studentenhuishoudens zijn in deze data overigens niet meegenomen. Is de hoofdkostwinnaar tussen de 25-45 jaar dan leeft 14,3% van een laag inkomen waarvan 5,5% langdurig. En heeft de hoofdkostwinnaar een leeftijd tussen de 45-65 jaar dan geldt dat bijna 12% onder de lage-inkomensgrens leeft waarvan 5,9% langdurig.
Wat opvalt is dat na de pensioengerechtigde leeftijd het aantal huishoudens dat leeft onder de armoedegrens sterk afneemt. Zo heeft iets meer dan 2% een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Het CBS (2018) geeft aan dat dit komt omdat met de pensionering de inkomenssituatie voor velen verbetert doordat het (volledige) AOW-pensioen boven de lage-inkomensgrens uitkomt. Bovendien hebben de meeste ouderen naast hun AOW nog aanvullend pensioen en inkomsten uit vermogen. De 65-plussers lopen van alle leeftijdsgroepen dan ook het minst risico op (langdurige) armoede.

Gezinnen met niet-westerse afkomst hebben vaker lagere inkomens

Gezinnen waar de hoofdkostwinner van niet-westerse herkomst is, hebben naar verhouding vaker een lager inkomen en leven daardoor vaker onder de armoedegrens. In de provincie Groningen heeft in 2015 meer dan eenderde (36,2%) van alle niet-westerse gezinnen een laag inkomen en 18,7% een langdurig laag inkomen. In Nederland als geheel zien we lagere percentages: van alle niet-westerse huishoudens heeft iets meer dan een kwart (26,7%) een laag inkomen en 12,5% een langdurig laag inkomen.
Per gemeente zien we flinke verschillen. De gemeente Oldambt valt daarbij op. In 2015 leefde bijna de helft van alle huishoudens met een niet-westerse herkomst onder de lage inkomensgrens (45,5%); 22% van deze huishoudens deed dat langdurig. Ook in de stad Groningen en de gemeente Appingedam zien we dat een relatief groot deel van de niet-westerse huishoudens een laag inkomen hebben.

Het type inkomen heeft tevens invloed op de kans op armoede

Er worden drie verschillende typen inkomens onderscheiden, namelijk inkomen als werknemer in loondienst, uit een eigen onderneming of uit overdrachtsinkomen. Deze laatste worden gevormd door huishoudens waarvoor een uitkering, pensioen of studiefinanciering de voornaamste inkomensbron is. De huishoudens met een overdrachtsinkomen leven relatief het vaakst in armoede. Data uit 2015 laat zien dat in de gehele provincie Groningen 18,6% van deze huishoudens een laag inkomen heeft. Daarvan heeft 8,3% een langdurig laag inkomen. Ter vergelijking, 3% van de huishouden met een inkomen verkregen uit loondienst en 13% van de huishoudens met een eigen onderneming leven onder de lage-inkomensgrens.

Ook in de verdeling naar inkomen zien we per gemeente verschillen. Vooral de stad Groningen springt eruit; drie op de tien (31%) huishoudens met een overdrachtsinkomen leven onder de lage inkomensgrens. Daarvan heeft 16% een langdurig laag inkomen.

Bronnen

CBS (2018). https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/03/langdurige-armoede-verder-toegenomen-in-2016