Armoede in de Veenkoloniën

Er is sprake van armoede wanneer iemand gedurende langere tijd niet de middelen heeft om te kunnen beschikken over de goederen en voorzieningen die in de samenleving als minimaal noodzakelijk gelden (SCP 2016). Bijvoorbeeld wanneer iemand onvoldoende inkomen heeft voor voeding of een goede woning. Hoeveel mensen hebben een hoog risico op armoede in de Veenkoloniën? En hoeveel jongvolwassenen? De gegevens zijn gebaseerd op de meest recente microdata van het CBS.

In het kort

  • In de Veenkoloniën wonen meer jongvolwassenen met een inkomen onder de armoedegrens dan gemiddeld in Nederland (9% versus 7%).
  • Zowel onder de jongvolwassenen als onder alle inwoners met een laag inkomen neemt het aandeel langdurig armen toe.

Meer ‘arme’ jongvolwassenen in de Veenkoloniën dan in Nederland

Van alle 22-26 jarigen in de Veenkoloniën leeft bijna 9% van een laag inkomen. Dat zijn 1.428 jongeren die een hoog risico op armoede hebben. Het aandeel jongvolwassenen in armoede in de Veenkoloniën is hoger dan gemiddeld in Nederland. In Nederland leeft net geen 7% in armoede. De groep 22-26 jarigen in de Veenkoloniën springt er dus negatief uit. Studentenhuishoudens zijn hierin niet meegerekend.

Het percentage van het totaal aantal mensen met een laag inkomen in de Veenkoloniën wijkt maar heel weinig af van het landelijke gemiddelde. In beide gevallen is dat rond de 7%.

Door de jaren heen is het aandeel mensen in armoede in de Veenkoloniën nagenoeg gelijk gebleven (rond de 7%). Het aandeel jongvolwassenen met een laag inkomen is relatief gezien iets afgenomen, namelijk van 9,5% in 2014 naar 8,8% in 2016.

Langdurig laag inkomen

Mensen met een langdurig laag inkomen moeten 4 jaar of langer rondkomen van een laag inkomen. In de Veenkoloniën heeft ongeveer 38% van de mensen langdurig een laag inkomen. Bij de jongvolwassenen ligt dit aandeel lager, namelijk 19%. Leeftijd heeft duidelijk invloed op de duur van het leven in armoede. Uit onderzoek blijkt dat huishoudens met een jonge kostwinner vaker kortdurend een laag inkomen hebben. Het risico op langdurige armoede neemt toe zodra de hoofdkostwinner ouder wordt (Sociaal Planbureau Groningen & Trendbureau Drenthe 2018). Hoe langer iemand in armoede blijft hoe moeilijker het is om eruit te komen. Dit komt mede doordat in de leeftijd van 50 tot zo’n 65 jaar een steeds groter deel wegens arbeidsongeschiktheid of werkloosheid afhankelijk wordt (en blijft) van een uitkering (CBS 2018).

Door de jaren zien we bij beide groepen een toename in het aandeel mensen dat langdurig arm is. De toename komt voornamelijk doordat meer huishoudens langdurig afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering. Huishoudens die door toedoen van de economische crisis onder de streep zijn terechtgekomen, hebben zich hieraan niet altijd weten te onttrekken (CBS 2018).