Wie hebben hoog risico op armoede

Leven in armoede kan iedereen overkomen, maar sommige groepen huishoudens lopen meer risico op armoede dan anderen. Deze groepen huishoudens worden ook wel ‘risicogroepen’ genoemd en hebben relatief vaak een laag inkomen. In alle OECD landen (waaronder Nederland) hebben eenoudergezinnen bijvoorbeeld een hoger risico op armoede. Ook huishoudens met een niet-Nederlandse achtergrond, een lage opleiding en weinig werkervaring hebben een hoog risico op armoede. Ook de kinderen van gezinnen met deze kenmerken hebben een hoger risico op armoede (Richardson & Bradshaw 2012). Wie in de Veenkoloniën een hoger risico op armoede hebben, brengen we hier in beeld. Daarbij maken we onderscheid in het totaal aantal personen met een laag inkomen en jongvolwassenen (22-26 jarigen) in de Veenkoloniën.

In het kort

  • Risicogroepen in de Veenkoloniën zijn vrouwen, eenoudergezinnen (vooral tienermoeders), alleenstaanden, niet-westerse eerste generatie huishoudens en mensen met een bijstandsuitkering.

Vrouwen hebben een hoger risico op armoede dan mannen

In de Veenkoloniën zijn er relatief meer vrouwen dan mannen met een hoog risico op armoede. Dat geldt vooral voor de groep jongvolwassenen. In 2016 leefde 10% van alle vrouwelijke 22-26 jarigen in armoede. In totaal warden dat 749 vrouwen. Van de mannelijke 22-26 jarigen was dat bijna 8%, oftewel 679 mannen.

Kijkend naar alle volwassenen dan zien we ook dat iets meer vrouwen dan mannen in de Veenkoloniën moeten rondkomen van een laag inkomen. De verschillen zijn wel minder groot dan bij de jongvolwassenen.

Overigens blijkt dat in heel Nederland meer vrouwen dan mannen in armoede leven. Dit verschil heeft onder andere te maken met het feit dat vrouwen vaker in deeltijd werken dan mannen. Hoe beperkter de werkweek, hoe hoger het (langdurig) armoederisico is (CBS 2018a). Ook bestaan er beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen wat van invloed is. Volgens het CBS (2016) zijn deze verschillen voor een belangrijk deel verklaarbaar door kenmerken als opleidingsniveau, beroepsniveau, het hebben van deeltijd- of voltijdwerk en werkervaring.

Eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen lopen meer risico

In de Veenkoloniën leven vooral eenoudergezinnen met minderjarige kinderen relatief vaak in armoede (28% in 2016). Jongvolwassenen met een jong kind lopen zelfs nog meer risico; bijna de helft van alle alleenstaande 22-26 jarigen met een minderjarig kind leeft onder de armoedegrens.

Zodra kinderen ouder worden, lijkt er minder risico op armoede voor het gehele gezin. Deze trend is zowel bij eenoudergezinnen als bij paren zichtbaar. Mogelijke verklaringen zijn dat ouders met meerderjarige kinderen makkelijker voltijds kunnen werken of dat de thuiswonende kinderen zelf een baan vinden en wellicht daarmee een bijdrage leveren aan het gezinsinkomen.

Ook eenpersoonshuishoudens hebben een naar verhouding hoog risico op armoede. Dat risico ligt wel wat lager dan bij eenoudergezinnen. Onder de jongvolwassenen in de Veenkoloniën is 28% van de alleenstaanden arm. In de hele Veenkoloniën was dat 15% van de alleenstaanden.

Uit landelijk onderzoek blijkt ook dat eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen risicogroepen zijn (Hoff 2017). De ontwrichting van een huishouden door bijvoorbeeld een scheiding beïnvloedt de welvaart van een huishouden (Keister 2004). Vooral tienermoeders hebben een grotere kans om in armoede te leven. Deze grotere kans op armoede is niet alleen vanwege hun alleenstaande status; er is vaak ook een causaal verband met andere karakteristieken, zoals een laag opleidingsniveau (Page & Stevens 2004).

Mensen van niet-westerse herkomst hebben hoog risico op armoede

In Nederland hebben huishoudens van niet-westerse afkomst een hoog risico op armoede. Dat blijkt ook het geval in de Veenkoloniën. Vooral de eerste generatie niet-westersen leven in armoede. Een derde van deze mensen heeft een laag inkomen (32%). Van de jongvolwassenen in deze groep leeft zelfs vier op de tien onder de armoedegrens (41%).

Door de jaren is er een stijging van het aantal niet-westerse huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens te zien. Uit recent onderzoek van het CBS (2018b) blijkt dat dit voor ruim een derde voor rekening komt van vooral Syrische vluchtelingen. Zij hebben een verblijfsvergunning ontvangen, maar zijn merendeels afhankelijk van een bijstandsuitkering.

Wat opvalt is dat het risico op armoede bij tweede generatie gezinnen ruim twee keer zo laag is als bij eerste generatie gezinnen. De tweede generatie is gemiddeld hoger opgeleid en heeft daardoor betere kansen op de arbeidsmarkt, aldus het CBS (2018b).

Kijken we naar de absolute cijfers dan zien we dat de meeste armen van Nederlandse afkomst zijn. Zo is meer dan 75% van de arme huishoudens van Nederlandse afkomst, 16% van niet-westerse afkomst (1e en 2e generatie) en 9% van westerse afkomst (1e en 2e generatie). Dit is logisch want 80% van de bevolking bestaat uit autochtone Nederlanders.

Bron van inkomsten heeft invloed

Tot slot bekijken we de voornaamste bron van inkomsten van de mensen wonend in een huishouden met een laag inkomen. Mensen met een uitkering hebben een hoger risico op armoede dan mensen met loon uit arbeid of een eigen onderneming.

Vooral mensen met een bijstandsuitkering moeten rondkomen van een inkomen onder de lage inkomensgrens. In de Veenkoloniën is drie kwart van alle bijstandsgerechtigden arm. Voor de jongvolwassenen in de Veenkoloniën is dat een gelijk aandeel. Door de jaren neemt het aandeel armen in de bijstand toe. In 2014 had 70% van de bijstandsgerechtigden een laag inkomen, in 2016 was dat 76%.

Alhoewel bijstandsuitkeringen een ondersteunend effect kunnen hebben op het reduceren van meergeneratie armoede zijn er ook duidelijke aanwijzingen voor de intergenerationele overdracht van bijstandsuitkeringen. De volgende mechanismen versterken deze overdracht:

  1. Wanneer ouders een bijstandsuitkering hebben, kan dit stigma van het leven in de bijstand verkleinen voor hun kinderen.
  2. Ouders die een bijstandsuitkering ontvangen, kunnen informatie doorgeven over de procedures en karakteristieken van verschillende uitkeringen aan hun kinderen.
  3. Ouders die een bijstandsuitkering ontvangen, hebben een kleiner werk-gerelateerd netwerk en maken daardoor het zoekproces naar werk voor hun kinderen moeilijker (D’Addio 2007).

“Betaald werk hebben en toch arm zijn”

Niet alleen mensen met een uitkering hebben een armoederisico. Er zijn ook werkenden die in armoede leven. Van de 210.000 werkenden in de Veenkoloniën moest in 2016 rond de 2% rondkomen van een laag inkomen. Het gaat dan om circa 4.000 mensen waarvan 300 jongvolwassenen. Van de werkenden zijn ZZP’ers het meest kwetsbaar. Meer dan 10% van de mensen met een inkomen uit eigen onderneming maakte in 2016 deel uit van een huishouden onder de lage-inkomensgrens.

Redenen waarom het inkomen van werkenden onder de armoedegrens kan liggen, zijn een korte arbeidsduur (parttime werken of minder dan twaalf maanden per jaar werken) en lage verdiensten per uur (en weinig overige inkomsten). Daarbij hebben huishoudelijke kenmerken ook invloed, zoals het wonen in een gezin met veel (minderjarige) kinderen. Voor zelfstandigen geldt daarbij dat ze niet standaard het minimumloon krijgen (Vrooman et al. 2018).

Literatuur

CBS (2018a). Armoede en Sociale uitsluiting. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.
CBS (2018b). https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/46/meer-huishoudens-met-risico-op-armoede-in-2017
CBS (2016). Gelijk loon voor gelijk werk? Banen en lonen bij de overheid en bedrijfsleven, 2014. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.
Hoff, S. (2017). Armoede onder kinderen – een probleemschets. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Richardson, D., & Bradshaw, J. (2012). Family-oriented anti-poverty policies in developed countries. New York: United Nations.
D’Addio, A. (2007) Intergenerational Transmission of Disadvantage: Mobility or Immobility Across Generations? A Review of the Evidence for OECD Countries, Paris: OECD.
Vrooman, C. et al. (2018). Als werk weinig opbrengt. Werkende armen in vijf Europese landen en twintig Nederlandse gemeenten. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.