Verhuisintentie en ervaren leefbaarheid

Eerder onderzoek van Sociaal Planbureau Groningen liet zien dat persoonlijke omstandigheden en onvrede met de huidige woning belangrijke verhuisredenen zijn. Het klinkt aannemelijk dat mensen ook willen verhuizen als de leefbaarheid in het gebied waar ze wonen achteruit gaat. Toch is hier nog weinig over bekend. Nieuw onderzoek onder het Groninger Panel laat zien dat een afname van de ervaren leefbaarheid inderdaad zorgt voor een grotere verhuiswens. Het hebben van een sterkere verhuiswens is al aan de orde als de leefbaarheid slechts een korte periode als ondergemiddeld wordt ervaren, maar het effect wordt sterker naar mate de tijd vordert.

In het kort

  • Mensen waarbij de waardering van de leefbaarheid tussen 2016 en 2018 onder het gemiddelde is gezakt, hebben een grotere kans te willen verhuizen dan mensen met een langdurig hoog ervaren leefbaarheid.
  • Mensen willen nog vaker verhuizen als de leefbaarheid al langere tijd lager dan gemiddeld wordt gewaardeerd.
  • Mensen die de leefbaarheid pas recent als bovengemiddeld waarderen willen net zo vaak verhuizen als mensen die de leefbaarheid al langere tijd bovengemiddeld waarderen.
  • Door het op peil houden of verbeteren van de leefbaarheid in een gebied kan het vertrek van inwoners mogelijk worden voorkomen.

Ervaren leefbaarheid verbeterd en verslechterd

Eerder onderzoek van Sociaal Planbureau Groningen (2018) laat zien dat Groningers de leefbaarheid in hun dorp of wijk over het algemeen positief waarderen. De panelleden is in jaren 2016 en 2018 gevraagd om hun oordeel over de leefbaarheid in een cijfer uit te drukken. In beide jaren waardeerden Groningse panelleden de leefbaarheid met een 7,6.[1]

Op het eerste gezicht lijkt er dus weinig verandering in de ervaren leefbaarheid te zitten. Kijken we op individueel niveau dan zien we dit beeld deels terugkeren. Ongeveer de helft (51%) van de panelleden geeft de leefbaarheid in 2016 en 2018 een bovengemiddeld cijfer en een kwart van de panelleden geeft in beide jaren een ondergemiddeld cijfer. Dit betekent wel dat bij het resterende kwart een verandering van de ervaren leefbaarheid heeft plaatsgevonden. Bij 13% van de panelleden is een positieve ontwikkeling te zien (zie figuur 1). Zij waarderen de leefbaarheid in 2018 hoger dan in 2016 (kortdurend hoog). Hier staat tegenover dat 11% van de panelleden de leefbaarheid in 2018 juist lager waardeert dan in 2016.

[1] Let op: In deze publicatie onderzoeken we een deel van het panel, namelijk de respondenten die in 2016 en in 2018 de vragenlijst leefbaarheid hebben ingevuld. De resultaten kunnen in sommige gevallen licht verschillen van eerdere onderzoeksresultaten.

Figuur 1. Ontwikkeling van de ervaren leefbaarheid tussen 2016 en 2018.

overzicht Ontwikkeling van de ervaren leefbaarheid tussen 2016 en 2018.

Bron: Sociaal Planbureau Groningen 2016, 2018

Afname van ervaren leefbaarheid verhoogt de kans op het hebben van een verhuiswens

In figuur 2 is te zien dat mensen met een lagere ervaren leefbaarheid vaker de wens hebben om te verhuizen. Gemiddeld wil 8,8% van de panelleden in de komende twee jaar verhuizen. Bij panelleden met een langdurig lage ervaren leefbaarheid is dit aanzienlijk hoger, namelijk 16,5%. Van de panelleden die de leefbaarheid kortdurend laag ervaren wil 10,5% verhuizen. Ook dit is boven het gemiddelde.

Figuur 2. Verhuiswens en ontwikkeling in de ervaren leefbaarheid

Nu kan het zijn dat mensen die de leefbaarheid als laag ervaren bepaalde persoonskenmerken hebben die ook van invloed zijn op hun verhuiswens. Eerdere studies over migratie vermelden dat jongeren meer geneigd zijn om te verhuizen vanwege lage onderwijsmogelijkheden in landelijke gebieden (Thissen et al., 2010). Bovendien hebben studies aangetoond dat werk-gerelateerde factoren de beslissing om te verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld werkloosheid (Malmberg & Mulder, 2014) of lange reistijd (Van Ham & Hooimeijer, 2009). In de aanvullende statistische analyse is rekening gehouden met deze mogelijke vertroebeling van de resultaten (zie onderzoekverantwoording).

Uit deze analyses blijkt inderdaad dat de kans dat mensen die een lage leefbaarheid ervaren willen verhuizen groter is dan bij anderen (figuur 3). Mensen met een kortdurende lage ervaren leefbaarheid willen 2 keer zo vaak verhuizen als mensen met een langdurige hoge ervaren leefbaarheid. Is de ervaren leefbaarheid langdurig laag, dan is de kans dat mensen willen verhuizen 3,6 keer zo groot.

Figuur 3. Kansen van de ontwikkeling van de ervaren leefbaarheid op de verhuiswens
kansen ontwikkeling ervaren leefbaarheid op verhuiswens
Bron: Sociaal Planbureau Groningen (2016, 2018)

 

Toename van leefbaarheid verlaagt wens om te verhuizen

De ervaren leefbaarheid kan ook toenemen. Bij panelleden met een kort- en langdurige hoge leefbaarheid is de wens om te verhuizen respectievelijk 6,9% en 5,1% (Figuur 2). Houden we bij deze cijfers rekening met de achtergrondkenmerken van de panelleden, dan blijkt dat er geen verschil zit in de verhuiswens tussen beide groepen. Mensen die een kortdurend hoge ervaren leefbaarheid hebben, willen dus ongeveer even vaak verhuizen als mensen met een langdurig hoge ervaren leefbaarheid. Blijkbaar heeft een recente positieve ontwikkeling van de leefbaarheid direct een dempend effect op de verhuiswens.

Conclusie

Het onderzoek laat zien dat mensen vaker willen verhuizen als ze een lage ervaren leefbaarheid hebben. Dit is het geval bij mensen die de leefbaarheid pas recent als laag ervaren, maar nog sterker bij mensen die de leefbaarheid al langdurig als laag ervaren. Hoe langer de leefbaarheid dus laag is, hoe sterker de verhuiswens.

Gelukkig blijkt uit de resultaten van dit onderzoek dat dit proces snel omkeerbaar is. Mensen met een recente hoge waardering van de leefbaarheid willen namelijk net zo vaak verhuizen als mensen die de leefbaarheid al langdurig als hoog waarderen. Als het over de invloed van leefbaarheid op de verhuiswens gaat, kan dus gesteld worden dat bij een verbetering van de leefbaarheid mensen snel vergeten zijn dat deze ooit beneden peil is geweest.

Om Groningers aan hun dorpen en wijken te binden is het dus noodzakelijk om snel in te grijpen bij een afname van de leefbaarheid. Hoe langer het duurt, hoe meer mensen in ieder geval de wens zullen hebben om te vertrekken. Investeringen in de leefbaarheid betalen zich echter snel uit. Op welke onderdelen van leefbaarheid deze investeringen moeten plaatsvinden is natuurlijk de vraag. Sociaal Planbureau Groningen zal hier in de toekomst onderzoek naar verrichten.

Bronnen

  • Mulder, C. H., & Malmberg, G. (2014). Local ties and family migration. Environment and Planning A, 46(9), 2195-2211.
  • Sociaal Planbureau Groningen (2018): Waardering leefbaarheid.
  • Thissen, F., Fortuijn, J. D., Strijker, D., & Haartsen, T. (2010). Migration intentions of rural youth in the Westhoek, Flanders, Belgium and the Veenkoloniën, The Netherlands. Journal of Rural Studies, 26(4), 428-436.
  • Van Ham, M., & Hooimeijer, P. (2009). Regional differences in spatial flexibility: long commutes and job related migration intentions in the Netherlands. Applied spatial analysis and policy, 2(2), 129-146.