Inzetten voor leefbaarheid

Groningers zetten zich in voor leefbaarheid in dorp of wijk

De verandering naar een participatiesamenleving is in volle gang. Bewoners krijgen en nemen steeds meer verantwoordelijkheid door zich in te zetten voor hun eigen dorp of wijk. Dat wordt ook van hen verwacht. In dit onderzoek gaan we in op wat de inwoners van Groningen zelf vinden van deze ontwikkelingen. Zijn ze zelf betrokken bij initiatieven in hun dorp of wijk? Wie is volgens hen verantwoordelijk voor de leefbaarheid in hun directe woonomgeving? In 2018 zijn deze vragen voorgelegd aan het Groninger Panel. In totaal hebben 2.225 leden hier hun mening over gegeven.

Gemeenten geven steeds meer ruimte aan goede initiatieven van bewoners (CMO STAMM 2015). Ook de Provincie Groningen investeert in leefbaarheid door middel van verschillende subsidieprogramma’s (zie ook de Tweede monitor Uitvoeringsprogramma Leefbaarheid). Het uiteindelijke doel van deze investeringen is om goed te kunnen wonen, werken en leven in de provincie. Dat geldt in het bijzonder in regio’s waar demografische ontwikkelingen zoals krimp en vergrijzing steeds beter voelbaar zijn of bezuinigingen de bestaande situatie onder druk zetten (Vermeij & Gieling 2016; Rijk, VNG & IPO 2012).

In het kort

  • Inwoners van het platteland geven aan meer betrokken te zijn bij hun woonomgeving dan inwoners van stedelijke gebieden.
  • Het Groninger panel verwacht vooral van de burgers zelf en van de gemeente inzet voor leefbaarheid.
  • Groningers die de leefbaarheid vooruit óf achteruit zien gaan, lijken vaker actief betrokken bij de eigen woonomgeving dan Groningers die vinden dat de leefbaarheid gelijk is gebleven. De eigen inzet voor leefbaarheid kan dus zowel ingegeven zijn vanuit een positieve waardering voor de leefbaarheid, als door een negatieve waardering.
  • Mensen met (zware) woningschade door bevingen lijken vaker actief betrokken bij de woonomgeving. Mogelijk dat een negatieve ontwikkeling mensen (tijdelijk) stimuleert zich in te zetten voor de buurt.

Betrokkenheid bij de woonomgeving groter op het platteland

De betrokkenheid en inzet van mensen bij hun eigen dorp of wijk wordt steeds belangrijker in de participatiesamenleving. Hoe betrokken zijn Groningers zelf bij hun woonomgeving? Wonen ze in een dorp of wijk waar veel buurtbewoners actief zijn?

Drie op de tien panelleden geeft aan dat ze in een dorp of wijk wonen met veel actieve buurtbewoners. Een vijfde zegt dat dit niet het geval is in hun dorp of wijk. Wanneer wordt gevraagd of ze zelf betrokken zijn bij wat er in hun dorp of wijk gebeurt, zegt bijna een kwart van panelleden zelf actief te zijn (23%). Een grotere groep (39%) laat weten zelf niet betrokken te zijn bij wat er in hun dorp of wijk gebeurt.

Wat opvalt is dat plattelandsbewoners vaker aangeven actief betrokken te zijn bij hun dorp of wijk dan stedelingen (32% versus 18%). Ook benoemen ze vaker dat ze in een dorp of wijk wonen waar veel buurtbewoners actief zijn. Zo zegt 36% van de plattelanders dit tegenover 21% van de stedelingen. Vooral de inwoners van kleinere dorpen verder van de stad gelegen, geven dit aan. In de grotere dorpen is, net als in de stad, de actiebereidheid wat minder. Het SCP vindt in hun dorpenmonitor gelijksoortige verschillen. Bewoners in de afgelegen dorpen ervaren een sterke sociale samenhang, hebben grote waardering voor hun leefomgeving en zijn vaak bereid tot vrijwillige inzet. Rond de stad is het leven van dorpsbewoners sterk verweven met dat in de stad waardoor de sociale samenhang hier meer op die van de stad is gaan lijken (Steenbekkers et al. 2017).

Inzet voor leefbaarheid: vooral door gemeenten en de burger zelf

Al enkele jaren zetten gemeenten in op het stimuleren van leefbaarheid in dorpen en wijken door inwoners meer zeggenschap te geven over de inrichting van hun dorp of wijk. Aan het Groninger Panel is gevraagd wie verantwoordelijk is voor leefbaarheid en wie zich actief in zou moeten zetten voor het stimuleren van leefbaarheid in eigen dorp of wijk.

Medewerkers

Femke de Haan

Femke de Haan

onderzoeker

06 525 896 14
f.dehaan@sociaalplanbureaugroningen.nl

Iris Holman

Iris Holman

onderzoeker/adviseur

06 126 039 53
i.holman@sociaalplanbureaugroningen.nl

81%

Volgens acht op de tien panelleden moet de gemeente zich inzetten voor leefbaarheid

79%

Bijna 80% van het panel vindt dat iedere burger zich moet inzetten voor  leefbaarheid

49%

Bijna de helft vindt dat hij of zij zelf inzet moet plegen voor de lokale leefbaarheid

Naast de inzet van burgers, zien de panelleden een verantwoordelijkheid voor hun gemeente om de leefbaarheid te stimuleren. Acht op de tien panelleden verwachten dit. Het percentage inwoners dat voor zichzelf een rol ziet weggelegd in het verbeteren van de leefbaarheid, ligt rond de helft van de panelleden. Dit percentage is gestegen ten opzichte van 2016. Destijds gaf 41% van de panelleden aan dat ze zelf inzet zouden moeten leveren voor de leefbaarheid.

De meeste Groningers staan open voor veranderingen. Zo ontstaan ook al veel bewonersinitiatieven. Tegelijk verwachten ze van de gemeente financiële steun en samenwerking om bewonersinitiatieven te realiseren. Het lijkt er dan ook op dat gemeenten niet te snel moeten willen loslaten en alles aan bewoners over laten (Sociaal Planbureau Groningen 2016).

Ontwikkeling leefbaarheid en inzet voor eigen woonomgeving

Aan het Groninger panel is gevraagd of ze de afgelopen 12 maanden een vooruitgang of achteruitgang hebben ervaren in leefbaarheid; of dat deze gelijk is gebleven (zie ook de publicatie Ervaren leefbaarheid). We zijn benieuwd of dit samenhangt met de inzet en actiebereidheid voor leefbaarheid in eigen dorp of wijk.

  • We zien dat Groningers die de leefbaarheid erop vooruit zien gaan, eerder vinden dat iedere burger verantwoordelijk is om zich in te zetten voor de leefbaarheid dan Groningers die de leefbaarheid achteruit zien gaan (82% tegenover 69%).
  • Als we vragen of men zelf actief betrokken is bij hun woonomgeving, dan zien we een iets ander beeld. Groningers die de leefbaarheid vooruit óf achteruit zien gaan, zijn vaker actief betrokken bij de eigen woonomgeving dan Groningers die vinden dat de leefbaarheid gelijk is gebleven.

De eigen inzet voor leefbaarheid kan dus zowel ingegeven zijn vanuit een positieve waardering voor de leefbaarheid, als door een negatieve waardering. Eerder onderzoek van Elshof en Bailey (2015) bevestigt het beeld dat achteruitgang van woonomgeving als gevolg van krimp tot actiebereidheid kan leiden. Zo kan de achteruitgang van leefbaarheid er toe leiden dat mensen zich juist gaan inzetten voor hun buurt, zoals bijvoorbeeld bij het sluiten van voorzieningen. Vervolgvraag is daarbij wel of bij langdurige ervaren achteruitgang mensen wellicht murw geslagen worden, en de inzet voor leefbaarheid bij hen volledig stagneert.

Woningschade als gevolg van gaswinning en inzet voor eigen woonomgeving

Hoe zit het met de actiebereidheid bij mensen die gevolgen merken van de gaswinning? Uit eerder panelonderzoek lijkt de schade aan woningen als gevolg van gaswinning invloed te hebben op de ervaren leefbaarheid. Zo ervaren Groningers met zware aardbevingsschade vaker een achteruitgang in leefbaarheid (32%) dan mensen met lichte schade (22%) of zonder schade (14%). Zetten deze mensen zich ook minder in voor de leefbaarheid in hun dorp of wijk?

Bovenstaande figuur laat zien dat Groningers met zware woningschade vaker actief betrokken zijn bij de woonomgeving dan Groningers zonder woningschade (44% tegenover 26%). Dit beeld blijft staan als we controleren voor woonregio, leeftijd, opleidingsniveau en geslacht. Mogelijk zien we hier eenzelfde beeld als bij de voorgaande paragraaf: een negatieve ontwikkeling kan mensen (tijdelijk) stimuleren zich in te zetten voor de woonomgeving. Het is afwachten of deze inzet een tijdelijke opleving is of langdurig standhoudt.

Om welke inzet het hier precies gaat is niet bekend. Leidelmeijer en Schulenberg (2012) vinden dat participatievormen als actie voeren en inspraakavonden bijwonen juist vaker voorkomen in buurten met problemen. Het is dan ook interessant om in toekomst na te gaan welke inzet voor leefbaarheid inwoners met en zonder schade precies ondernemen.

Literatuur

CMO STAMM (2016). Overheidsparticipatie. Route naar een nieuw DNA.

Elshof, H. en Bailey, A. (2015). The role of responses to experiences of rural population decline in the social capital of families. In: The journal of rural and community development. 10, 1, p. 72-93 22p.

Leidelmeijer, K. en R. Schulenberg (2012). Buurtparticipatie en leefbaarheid. Amsterdam: rigo Research en Advies.

Rijk/VNG/IPO (2012). Interbestuurlijke Voortgangsrapportage Bevolkingsdaling 2012. Den Haag: ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Sociaal Planbureau Groningen (2015). Overheidsparticipatie. Verwachtingen van bewoners.

Steenbekkers, A., L. Vermeij & P. van Houwelingen (2017). Dorpsleven tussen stad en land. Slotpublicatie Sociale Staat van het Platteland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Vermeij, L. en J. Gieling (2016). De dorpse doe-democratie. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.