Wie hebben hoog risico op armoede

Wie hebben er in de Veenkoloniën een hoger risico op armoede? De Veenkoloniën hebben van oudsher te maken met hoge aantallen huishoudens die leven in armoede. Vaak verkeren zowel ouders als hun kinderen in een situatie waarin ze moeten rondkomen van een laag inkomen. Immers, het opgroeien in armoede vergroot de kans op armoede op latere leeftijd (Gaiaux 2011). Welke huishoudens in de Veenkoloniën een groter risico hebben om in armoede te leven, brengen we hier in beeld. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in kenmerken van het totaal aantal personen met een laag inkomen in de Veenkoloniën en meer specifiek jongvolwassenen (22-26 jarigen) in de Veenkoloniën.

In het kort

  • In 2014 moest bijna één op de tien personen in de Veenkoloniën rondkomen van een laag inkomen. Naar verhouding hadden iets meer jongvolwassenen een hoog risico op armoede (11,8%). Dit is exclusief studentenhuishoudens.
  • Meer vrouwen dan mannen hadden in de Veenkoloniën een hoog risico op armoede. Dat gold ook voor de jongvolwassenen: 10,7% van alle mannelijke 22-26 jarigen en 13,1% van alle vrouwelijke 22-26 jarigen hadden een laag inkomen.
  • Ook eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen liepen meer risico op een laag inkomen. Dat geldt zowel voor de totale bevolking als de 22-26 jarigen.
  • Vooral mensen met een bijstandsuitkering hadden in 2014 een hoog risico op armoede. In de Veenkoloniën leefden drie kwart van de mensen met een bijstandsuitkering onder de lage-inkomensgrens. Van de jongvolwassenen met een bijstandsuitkering had 66,1% een laag inkomen.

Hoeveel mensen in de Veenkoloniën hebben een laag inkomen?

In de Veenkoloniën leefden in 2014 34.598 personen (9,4%) in 17.558 huishoudens met een laag inkomen. We zien dat naar verhouding iets meer jongvolwassenen een laag inkomen hebben. Het ging om 1.955 jongeren (11,8%) in 1.219 huishoudens. Hiervan waren 315 personen langdurig arm (2% van 22-26 jarigen in de Veenkoloniën).

In vergelijking tot het Nederlandse gemiddelde woonden er in de Veenkoloniën relatief meer mensen in armoede. Ook waren er naar verhouding meer 22-26 jarigen die van een laag inkomen moesten rondkomen.


Overigens zien we verschillen binnen de groep jongvolwassenen. Vooral 25 en 26 jarigen hadden een naar verhouding hoog risico op armoede. Zo had 12,1 % van de 25 jarigen en 13,2% van de 26 jarigen een laag inkomen (respectievelijk 385 en 450 personen). In de andere leeftijdsklassen was dat rond de 11%. In Nederland als geheel zien we nagenoeg geen verschillen (circa 9% voor alle leeftijden).

Meer vrouwen dan mannen hebben hoog risico op armoede

In de Veenkoloniën waren er in 2014 iets meer vrouwen dan mannen met een hoog risico op armoede. In totaal had 9% van alle mannen een laag inkomen (16.398 mannen) en 9,9% van de vrouwen (18.200 vrouwen). We zien iets hogere percentages terug bij de 22-26 jarigen. Hier ging het om 919 mannen (10,7% van alle mannelijke 22-26 jarigen) en 1.036 vrouwen (13,1% van alle vrouwelijke 22-26 jarigen).

In Nederland waren voor datzelfde jaar ook meer vrouwen dan mannen met een laag inkomen. We zien vooral verschillen binnen de groep jongvolwassenen: gemiddeld in Nederland hadden minder jongeren een laag inkomen. Van de mannelijke 22-26 jarigen had 8,3% een laag inkomen; van de vrouwelijke 22-26 jarigen had 9,8% dat.

Eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen lopen meer risico

Uit onderzoek is bekend dat het grootste risico op armoede voorkomt bij eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen (Hoff 2017). Dat is zowel landelijk het geval als ook in de provincies Groningen en Drenthe (zie o.a. websites Trendbureau Drenthe en Sociaal Planbureau Groningen). We zien dit ook terug in de Veenkoloniën. Vooral eenoudergezinnen met minderjarige kinderen leefden relatief vaak in armoede (38,9%, 6.139 huishoudens) in 2014. Van de eenpersoonshuishoudens had 17,6% een laag inkomen; het gaat hier om 9.144 gezinnen.

We zien beduidend hogere percentages bij de jongvolwassenen in de Veenkoloniën. In deze leeftijdsgroep had meer dan de helft van de eenoudergezinnen met minderjarige kinderen een hoog risico op armoede (51,8%, 172 huishoudens) en meer dan een derde van de eenpersoonshuishoudens had een hoger risico (34,9%, 758 huishoudens).

Gemiddeld in Nederland zien we iets andere verhoudingen bij de 22-26 jarigen: 41,2% van de eenoudergezinnen met minderjarige kinderen en 23% van de eenpersoonshuishoudens leefden onder de lage-inkomensgrens.

Mensen van niet-westerse herkomst hebben hoog risico op armoede

Het is bekend dat vooral huishoudens van niet-westerse afkomst een hoog risico op armoede hebben. Hetzelfde blijkt uit de microdata waarbij we verschillen zien tussen 1e generatie en 2e generatie gezinnen van niet-westerse achtergrond.

In de Veenkoloniën woonden in 2014 meer dan een derde van de mensen met een niet-westerse achtergrond (1e generatie) in een huishouden met een laag inkomen (2.712 personen, 34,8% van het totaal aantal 1e generatie niet-westerse personen). De 2e generatie had het financieel wat beter, maar toch had meer dan een kwart een hoog risico op armoede (1.728 personen, 26,8%). Voor de jongvolwassenen in de Veenkoloniën geldt het volgende; van de 1e generatie jongeren met een niet-westerse achtergrond moest 36,4% rondkomen van een laag inkomen (131 personen), terwijl een lager aandeel van de 2e generatie een laag inkomen had (21,5%, 117 personen).

Naar verhouding zijn dit hogere percentages dan gemiddeld in Nederland: van het totaal aantal personen woonde 27,5% van de 1e generatie niet-westerse personen in een huishouden met een laag inkomen en 23,7% van de 2e generatie niet-westerse mensen. De 22-26 jarigen in geheel Nederland deden het nog iets beter: 22% van de 1e generatie en 14,9% van de 2e generatie leefden onder de lage-inkomensgrens.

Wat is de voornaamste bron van inkomsten?

Tot slot bekijken we de voornaamste bron van inkomsten van de mensen wonend in een huishouden met een laag inkomen. Naar verhouding hebben de mensen met een uitkering, onafhankelijk van welke uitkering, een hoger risico op armoede. Dit in vergelijking met de mensen die loon uit arbeid krijgen of een eigen onderneming hebben.

Wat opvalt is dat een hoger risico op een laag inkomen vooral voorkomt bij personen die een bijstandsuitkering ontvangen. In Nederland als geheel had bijna drie kwart van de mensen met bijstand een laag inkomen (73,5% van alle personen met bijstand). In de Veenkoloniën zien we dat voor zelfs een iets hoger aandeel, namelijk 75,4% van alle mensen met een bijstandsuitkering (11.562 personen). Ook voor de jongvolwassenen gold dat jongeren die moesten rondkomen van een bijstandsuitkering een hoger risico op armoede hadden: 66,1% in de Veenkoloniën (549 personen) en 56,4% gemiddeld in Nederland.

Een hoog risico op armoede vinden we ook bij degenen die moeten rondkomen van overige sociale voorzieningen. Het gaat hier om uitgekeerde bedragen die worden betaald uit de algemene middelen van de overheid, zoals bijvoorbeeld de Wet Sociale Werkvoorzieningsregeling, de beeldende Kunstenaarsregeling en algemene Oorlogs-ongevallenregeling. Iets meer dan de helft van de mensen die een soortgelijke uitkering kregen, had een laag inkomen in 2014. Onder de 22-26 jarigen in de Veenkoloniën gold dit zelfs voor 55,3% van de jongvolwassenen met een soortgelijke uitkering (492 personen).

Literatuur

Gaiaux, M. (2011). Voorbestemd tot achterstand: armoede en sociale uitsluiting in de kindertijd en 25 jaar later. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Hoff, S. (2017). Armoede onder kinderen – een probleemschets. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Informatie

Carola Simon (06 23667636, c.simon@sociaalplanbureaugroningen.nl)
Lianne Hans (06 53448109, l.hans@rug.nl)