Jongvolwassenen en hun ouders

Het opgroeien in armoede vergroot de kans op armoede op latere leeftijd (Gaiaux 2011). Omdat De Alliantie van Kracht door middel van onderzoek meer inzicht wil bieden in deze overerfbare armoede, is het interessant om na te gaan in hoeverre de ouders van jongvolwassenen (22-26 jarigen) ook in armoede leven. In dit feitenblad brengen we de sociaaleconomische positie van kinderen in armoede in verband met de sociaaleconomische positie van de ouders. Hoeveel personen en huishoudens in de ouderpopulatie leven onder de lage inkomensgrens? Daarnaast wordt bekeken of het van invloed is of een jongere nog bij zijn of haar ouders woont, of op zichzelf. De gegevens zijn gebaseerd op microdata van het CBS voor het jaar 2014.

In het kort

  • In de Veenkoloniën hadden de ouders van jongvolwassenen met een laag inkomen, zelf ook vaak een inkomen onder de lage-inkomensgrens.
  • Van alle jongvolwassenen met een laag inkomen woonden acht op de tien jongeren op zichzelf . Dat is een beduidend hoger percentage dan de totale groep 22-26 jarigen die op zichzelf woont (49,8%).

Ouders van ‘arme’ jongvolwassenen zijn zelf ook vaker arm

Een aanzienlijk deel van de ouders van jongvolwassenen met een laag inkomen, moesten zelf ook rondkomen van een laag inkomen. Uit de figuur is af te lezen dat meer dan een kwart van de vaders van de ‘arme’ jongvolwassen in 2014 zelf ook onder de lage-inkomensgrens leefden (26,4% van de vaders van alle 22-26 jarigen). Duidelijk meer moeders van ‘arme’ jongvolwassenen moesten dit doen, namelijk 36,4%. Het ging hier om respectievelijk 348 vaders en 531 moeders.

Dit zijn beduidend hogere percentages dan van de ouders van de totale groep 22-26 jarigen in de Veenkoloniën. Van die groep heeft 6,7% van de vaders en 9,7% van de moeders een laag inkomen. We kunnen dan ook stellen dat ‘arme’ jongvolwassenen vaker ‘arme’ ouders hebben.

Wanneer dit door de tijd wordt bekeken dan blijkt dat als een ouder arm was in de jaren voor 2014, de kinderen daarvan ook vaker in armoede leefden in 2014. Dit komt overeen met eerdere onderzoeken. Guiaux (2011) toonde bijvoorbeeld aan dat het opgroeien in een gezin met weinig inkomen de kans verhoogt dat men jaren later opnieuw in die situatie terechtkomt. De duur van de armoede maakt eveneens uit: voor kinderen die in hun jeugd langdurig arm waren, is de kans op armoede als volwassene groter.

Jongvolwassenen die op zichzelf wonen, zijn vaker arm

De volgende figuur laat zien of er verschillen zijn tussen jongvolwassenen die nog bij een van de ouders wonen en jongeren die op zichzelf wonen in de Veenkoloniën. Van alle jongvolwassenen met een laag inkomen woont meer dan acht op de tien jongeren op zichzelf. Het gaat hier om 1.187 jongvolwassenen. Van de totale groep 22-26 jarigen woont de helft alleen en niet meer bij beide of één van de ouders. Het lijkt er dan ook op dat jongvolwassenen die op zichzelf wonen, een grotere kans hebben op armoede dan jongeren die nog inwonen bij beide of één van de ouders.

Literatuur

Gaiaux, M. (2011). Voorbestemd tot achterstand: armoede en sociale uitsluiting in de kindertijd en 25 jaar later. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Informatie

Carola Simon (06 23667636, c.simon@sociaalplanbureaugroningen.nl)
Lianne Hans (06 53448109, l.hans@rug.nl)